Lenard K@ptein.nl
SearchWiki

Homepage

  • Contact

Media Blog

In de Media

  • Internet
  • Kranten
  • Point lookout nieuwsbrieven
  • Televisie
  • Vakinformatie
  • Weekbladen
  • Weer en Verkeer

  • Carter Center
  • Gewoon leuk
  • Mijn Wordpress Blog
  • Literatuur

Documentatie

Zeilen

blog.ptein.nl

PmWiki
Media/
Literatuur
Printable View

Nieuws van Literair Weblog De Contrabas

Ogilvy on writing

Op de website Brainpickings: "How is your new year?s resolution to read more and write better holding up? After tracing the fascinating story of the most influential writing style guide of all time and absorbing advice on writing from some of modern history?s most legendary writers, here comes some priceless and pricelessly uncompromising wisdom from a very different kind of cultural legend: iconic businessman and original ?Mad Man? David Ogilvy. On September 7th, 1982, Ogilvy sent the following internal memo to all agency employees, titled 'How to Write' (...) Lees verder.



Exit Poëzierapport (vervolg)

Toen ik samen met Philip Hoorne op 6 december jongstleden bij het Vlaams Fonds voor de Letteren te Berchem was (gehuld in nieuwe, van Sinterklaas gekregen handschoenen), om het "Dossier Poëzierapport" te verdedigen, werden we daar onthaald door een veelkoppige commissie. Deze commissie wilde van ons aanvullende informatie over het technische en het financiële plaatje, nadat een andere commissie de aanvraag van Poëzierapport eerder in 2011 inhoudelijk al had goedgekeurd.

De commissie die ons ontving stelde zich over het geheel genomen neutraal op. Toch werden die avond uitspraken gedaan over het inhoudelijke deel van de aanvraag, wat strikt gezien niet tot de bevoegdheid viel van de mensen die wij spraken. Eén persoon maakte het heel bont: dat was Jan Baetens, iemand die in het echte leven iets doet aan de KU te Leuven.

Jan Baetens was nogal kritisch, en dan niet zozeer over de manier waarop PZR was georganiseerd, of in De Contrabas geïntegreerd, nee, hij plaatste kanttekeningen bij het uitgavebeleid van Uitgeverij P ("Geven te veel bundels uit, en te veel slechte bundels"), hij zeurde over de recensenten van PZR, die volgens hem wellicht niet de vereiste "kwaliteit" konden bieden. Verder blonk hij uit in zuinig kijken, bij alles wat wie dan ook zei.

De toekenningenlijst "digitale projecten" van het Vlaams Fonds voor de Letteren vermeldt over 2011 een mooie lijst namen. Behalve 10.000 euro voor een website die er in april al mee zou stoppen (De Papieren Man), ook 7.500 euro voor De Reactor, de weblog die Arnoud van Adrichem opzette om de subsidiegelden richting zijn Milanese stropdassenmaker te kunnen bewegen. 

Dat Jan Baetens wel eens een artikel schrijft met Arnoud van Adrichem, om dat vervolgens op Alphavillle te publiceren (8.500 euro voor Alphavillle overigens) is allemaal toeval & per ongeluk. Wij worden verzocht niet te blijven staan kijken en rustig door te lopen. Dank voor uw medewerking.

Oh ja, Jan Baetens is voor vragen bereikbaar. Let ook even op zijn lijst bij elkaar gediederikstapelde publicaties... Twee "dossiers" van tijdschrift Parmentier opvoeren als "books" ("as editor), foei toch.

(Misschien ten overvloede: Ik vind het niet verkeerd dat websites subsidie ontvangen, integendeel; ik heb wel wat tegen het onderling verdelen van de poet in allerlei geinige, maar helaas ook duistere en via handjeklap opererende netwerken... netwerk dan met open vizier, en laat mensen niet helemaal naar Berchem reizen.)

+++ Philip Hoorne schreef eerder deze beschouwing +++



Abe de Vries over de Elfstedentocht

ElfstedentochtIn 1933 werd de Elfstedentocht gewonnen door Abe de Vries. Wikipedia meldt over deze winst: "In de Elfstedentocht van 1933 werd hij eerste, samen met Sipke Castelein uit Wartena. Beide [rijders] besloten gezamenlijk over de finish te komen maar De Vries zag de eindstreep niet waardoor hij ongewild als eerste over de finish kwam. De jury besloot echter dat beiden op de eerste plaats kwamen te staan, ex aequo dus."

De redactie van De Contrabas zocht "Pake" De Vries op in zijn bejaardenwoning in het pittoresk gelegen Aldebiltsyl. In een huiskamer die wordt gekenmerkt door Friese nostalgie, zonder de band met het heden (de laptop van Dell staat op het Hindelooper kastje) te verliezen, krijgt De Vries het nóg warm als hij het over de tocht van 1933 heeft.

"Ex aequo... Zwijg mij over ex aequo. Natuurlijk wilde ik zélf winnen, en dáárom ben ik voor Sipke Castelein over de finisch gegaan. Die Castelein... een beste schaatser, daar niet van. Maar geen winnaar. De jury wilde... (De Vries haalt een zakdoek tevoorschijn en snuit zijn neus, zichtbaar aangedaan, CB)... begrippen als 'sportiviteit' en 'eerlijkheid' benadrukken... net als in de Engelse sporten... ik vind dat een jammerlijke, niet-Friese ontwikkeling waaraan ergens in de jaren veertig Goddank een einde is gekomen."

De Vries zal de tocht, áls hij dit jaar wordt verreden, zeker gaan bekijken. Zelf meerijden zit er niet meer in, helaas. Al heeft hij tot en met 1997 nog als toerrijder meegedaan. "Die tochten van tegenwoordig, ach! In 1963 werd er gereden met een beetje sneeuw en wat wind tegen... en ze hebben het er nu nog over... in 1985, 1986 en 1997 reed ik de tocht als toerrijder sneller dan de wedstrijdjongens. De pers hoor je daar niet over... die houdt dit soort nieuws onder de zwarte pet van de Vereniging."

De Vries had na zijn winst op de Bonkefeart nog een rijke carrière als langebaanschaatser, met de legendarische winst tijdens het WK van 1939 als hoogtepunt. Deze winst smaakt voor De Vries nog altijd zeer zoet, omdat zij werd behaald op zijn eeuwige rivaal Cornelis van der Wal (winnaar van zeven gouden Olympische medailles én viervoudig Fierljep-kampioen van Friesland).

"Knilles de Stroffelder, zoals ik hem tot zijn grote ongenoegen noemde, kon mij op sommige dagen aan," blikt De Vries nog steeds nagenietend terug, "maar dat weekend was ik duidelijk de beste... Ja, na de Elfstedentocht is dit toch mijn dierbaarste herinnering. Begrijp me overigens niet verkeerd: hoewel Knilles en ik elkaar al 70 jaar niet gesproken heb, bewaar ik geen boosheid in mijn hart. Ik ben alleen zwaar in hem teleurgesteld... Als schaatser. Meer wil ik er niet over kwijt, want alles is al gezegd."

Ondanks zijn hoge leeftijd is De Vries nog steeds actief als lokaal politicus. Op dit moment maakt hij zich sterk voor deze zaak, een zaak die uiteraard samenhangt met de... Elfstedentocht. "Een borrel?" vraagt De Vries tot slot, en hij tovert de fles Berenburg tevoorschijn.

Foto: Roosendaal24.



Nieuw gedicht Gerard Scharn

Nieuw gedicht van Gerard Scharn op Gedichtenforum: ramp.



Koud hè? Zo koud als een kikker?

"'Het is winter en dus koud als een kikker.' Wie zoiets zegt, kent de conventies van het Nederlands niet. Koud als een kikker betekent weliswaar 'heel erg koud', maar is geen courante vergelijking om het weer te typeren. Koud als een kikker zeg je van mensen die totaal gevoelloos zijn." Welke vergelijking Ton den Boon van Taalbank wel op het oog heeft, leest u hier.



Wislawa Szymborska vertaald

In mijn bezit is de bloemlezing Een gevecht om lucht, een keuze uit de naoorlogse Poolse poëzie, samengesteld door Jan-Willem Overeem en Ewa Dijk-Borkowska. Het boek is (waarschijnlijk) in 1978 verschenen bij Uitgeverij Corrie Zelen in Maasbree. Voor zover mij bekend duikt de naam van Wislawa Szymborka hier voor het eerst in een boekpublicatie op. Het zou vervolgens tot 1983 duren, voordat De Lantaarn met een solo-bundel kwam. 

De verschillen tussen de vertalingen van Overeem en Dijk-Borkowska (GOL) en de "standaardeditie" van Gerard Rasch (ik citeer hier uit Einde en begin. Gedichten 1957 - 1997, te noemen EEB) zijn opmerkelijk, om niet te zeggen dat het soms om heel andere gedichten lijkt te gaan. Ik haal bijvoorbeeld de eerste strofe van een gedicht dat ze beiden vertaalden naar voren:

GOL p. 87: 'Vrouwen van Rubens',  Reuzinnen, vrouwelijke fauna, / naakt als gebulder van vaten. / Nestelen zich in vertrapte ledikanten, / slapen de monden geopend om het uit te kraaien. / Hun pupillen gevlucht in de diepte / doordringen hun binnenste klieren, / waaruit gist sijpelt in hun bloed.

EEB p. 61: 'Rubens' vrouwen', Rotsentorsers van reuzinnen, / een fauna naakt als rommelende tonnen. / Ze nestelen in platgelegen legers, / slapend gapend met hun kraaimond open. / De pupillen die naar binnen vluchten, / dringen in het binnenste der klieren, / waaruit het gist hun bloed in sijpelt.

Zelf heb ik de neiging om EEB in poëtische zin het voordeel van de twijfel te gunnen, zeker omdat er in deze strofe al zo véél verschillen zitten: "gebulder" en "rommelende", "ledikanten" en "legers", "slapen de monden geopend om het uit te kraaien" (auw, CB) en "slapend gapend met hun kraaimond open" en voor de laatste drie regels lijken ook afkomstig uit zeer verschillende ontwikkellaboratoria.

[wordt vervolgd]

Het in 1996 verschenen Verrukking & wanhoop (V&W), een keuze uit het tot dan toe verschenen werk van Jeannine Vereecken bevat hetzelfde gedicht, nu weer onder de titel 'Vrouwen van Rubens'. De eerste strofe: Bergreuzinnen, vrouwenfauna, / blote, donderende tonnen. / Nestelen zich in vertrappelde bedden, / slapen met de lokroep van de haan op de lippen. / Hun pupillen verliezen zich in de diepte / en dringen door tot binnenin de klieren, / waarvan het sap gaat gisten in het bloed.

De eerste regels zijn mooi, gecomprimeerd (zoals het origineel er uitziet, maar ik beheers het Pools natuurlijk niet), - zinnen met de laconieke toon die je van de Nobelprijswinnares verwacht. Vereecken kiest weer voor bedden - wat me de vraag ingeeft waar die "legers" bij Rasch vandaan komen. De associatie met een slaap- en verblijfplek van dieren (maar niet van een kraai...) is niet ver weg, en ik weet niet of die hier iets te zoeken heeft.

De laatste drie regels (GOL: Hun pupillen gevlucht in de diepte / doordringen hun binnenste klieren, / waaruit gist sijpelt in hun bloed. EEB:  De pupillen die naar binnen vluchten, / dringen in het binnenste der klieren, / waaruit het gist hun bloed in sijpelt.) komt hier het mooist uit de verf, lijkt me: Hun pupillen verliezen zich in de diepte / en dringen door tot binnenin de klieren, / waarvan het sap gaat gisten in het bloed.

De eerste strofe is het mooist vertaald door Vereecken, lijkt me. Maar ik kan, nogmaals, niet vergelijken met het origineel.



Van Kooten en De Bie sloegen weer toe

De documentaire over Koot en Bie had iets droevigs: dat was het dus, onze jeugd... in die goede smaak zijn wij opgevoed - en het is weg, allemaal. Definitiever dan Atlantis verzonken, uitgewist, zo onvindbaar geworden als een rookworst in vegetarische erwtensoep... Ze hebben erbij gehoord en zijn nu alleen nog via het glibberige pad van de weemoed en de sentimentaliteit bereikbaar, heel even, voordat ze weer in het grote niets verdwijnen, definitief herinnering geworden. Op Uitzending Gemist: de herhaling. 



Hoe word ik een beroemd schrijver?



Tegen de decadenten

'Met de schaamteloosheid van een lepralijder'


Keurkamer_advertentieDe ziekste 'essaybundel' over de Nederlandse literatuur is waarschijnlijk Tegen de decadenten. Een drietal beschouwingen over onze hedendaagsche letterkunde, door Johan Ponteyne, De Deltareeks, De Amsterdamsche Keurkamer, Amsterdam, [1941].

Bij kenners zullen direct de alarmbellen rinkelen: Johan Ponteyne, dat is toch één van de pseudoniemen van dichter, prozaïst, vertaler en bloemlezer A.J.H.A. Wensink, in het dagelijks leven bekend als Aleid Wensink (Apeldoorn, 31-10-1920/Oostburg, 12-8-2001), en ook actief onder de pseudoniemen Willem Enzinck en George de Sévooy? Juist ja, dat is de man.

En De Amsterdamsche Keurkamer, dat was toch de uitgeverij van George Kettmann Jr.? Precies, de uitgeverij waar ene Adolf Hitler de Nederlandse vertaling van zijn bestseller Mein Kampf gestald had.

Goed - dat hebben we duidelijk. Terug naar Tegen de decadenten. Dit curieuze boek, waarin de schrijver enerzijds de lof zingt op smeders van nazi-verzen en auteurs van 'volkse' verhalen en anderzijds alle andersdenkenden verkettert bevat een groot aantal gedichten. Waarmee het strikt genomen ook als bloemlezing gezien kan worden. Maar dan wel een hele vreemde.

Zo bevat het extreem veel gedichten van George Kettmann Jr. (1898-1970, toevallig ook de uitgever van het boek) en een aantal van Steven Barends (1915-2008, de bloed- en bodemvertaler van Mein Kampf), één gedicht van nazi-Vlaam Ferdinand Vercnocke (1906-1989) en een vers van de eveneens weinig koshere Vlaam Jef Hinderdael (1877-1948). Op zich niet vreemd dat werk van hen in dit bij een nazi-uitgeverij verschenen boek van een nazi-auteur is na te lezen.

De echt vreemde eenden in deze nazibijt zijn de gedichten van 'de decadenten', en helemaal vreemd is hoé ze erin ingeleid en afgedrukt staan:

'Wij willen echter vóór alles in de drie navolgende opstellen, onze volksgenoten wijzen op een gezonde litteratuur en de dringende noodzakelijkheid daarvan, en hen er van trachten te overtuigen, dat onze letterkunde onder géén voorwaarde mag dienen als stortplaats voor het geestelijke vuil van zekere ontaarde en verziekelijkte artiesten, die, geestelijk vaderlandsloos geworden, hun enige levenstaak nog zien in het besmetten van anderen!'  (...)

'In dicht- zowel als in prozakunst zingen deze zelf zo mislukte schrijvers (want och, hun geest is in het creatieve zo oneindig steriel!!) de lof van het koele vernuft. Wanneer men dan ook hun opgeblazen theorieën er over leest, zijn de verwachtingen omtrent hun werk wel heel hoog gespannen. . . Daarom wil ik er enkele kleine stalen van geven ter illustratie:

Ik heb met eerbied het portret
van Vader uit de lijst genomen,
waar zoveel stof was ingekomen
en toen weer in de lijst gezet.

Dit is een gedicht van den heer E. du Perron, inmiddels overleden, die immer op marktjoodachtige wijze de manager speelde van de nieuwe vernuftslitteratuur. Verbluffend, niet waar?. . . maar het schoonste komt nog: twee nieuw-zakelijke verzen van rijmelaars, wier namen ik uit verachting niet zal noemen:

DE BLOEM

Deze bloem
Op mijn hoed
Is geen bloem
Maar van goed.

MARGRIET

die stond tusschen gras
in de weide, die was
een frissche margriet,
maar bleef dat niet,
ze kwam voor het raam
van een huiskamer staan
alleen met een smal vaasje aan.

Een normaaldenkend mens, die ook maar enige Ahnung van litteratuur heeft, zal deze stuntelige knoeierij terecht kenschetsen als lagere-school-gebroddel, zeer geschikt tot tijdverdrijf voor zwakzinnigen, maar. . . de grote heren Vestdijk, Greshoff c.s.. . zij noemen dit Kunst, en scharen zich
met artistiek-geleerde gezichten rond deze intellectuele nonsens, lijk de koeien in het voorjaar rond de eerste boterbloem . . . En dan is het toch zeker wel Kunst. . .'

De namen van de makers van de twee gedichten die Wensink te verachtelijk vond om te noemen zijn respectievelijk Anton Koolhaas (1912-1992) en Han G. Hoekstra (1906-1988). Ook de toen nog jonge Louis Th. Lehmann (1920) krijgt er van de fijnzinnige nazi-essayist van langs:

'Het is niet alleen de door hen ijverig voortgezette intellectualiteit, waarvan de ?jongeren" de wegbereiders waren, welke hun werk voor ons ontoegankelijk en waardeloos maakt - het is ook de drang naar originaliteit, die hun verzen volkomen onverstaanbaar doet zijn. De poëzie van deze allerjongsten is werkelijk, geloof mij, gekristalliseerde kolder, die het meest geapprecieerd werd door de redacteuren van het jongerenperiodiek Werk, dat inmiddels haar taak overgenomen ziet door het maandblad Criterium. Ik geef u een voorbeeld en citeer een gedicht, De Ring en De Wolk van de hand van een zekeren L. Th. Lehmann.

De steenkoollaag steekt uit de aarde
Als een vuist
Om paardenschedels te verpletteren.

De aderen in mijn oogen barsten
Tot afgronden en rijzwepen
Ik laat u aan mijn lot over

Strijk was over mijn oogholten
En leid mij over de brug

Van parelmoer
Tusschen twee zonnen
Op hertengeweien

Bij een dergelijk product kan men niet eens meer spreken van de expressie van de allerindividueelste emotie - alles is even stuntelig en houterig. En bovendien wat hier geschreven staat, is dat een emotie?? Zoveel is zeker: dit is voor een normaal denkend mens een opeenstapeling van doodgewone
huis-tuin-en keuken-kolder, maar. . . door de redactie van genoemd tijdschrift wordt zulks gewaardeerd als de persoonlijke uiting van een bizonder origineel talent!! Ik geloof dat het bovenstaande ruimschoots voldoende is om een kleine indruk te geven van het deplorabele peil waarop onze jongste dichtkunst zich beweegt.'

Na wat gefulmineer tegen Anthonie Donker (1902-1965) stort Wensink zich op Eric van der Steen (1907-1985):

'In genoemd artikel staat de heer Donker ook uitvoerig stil bij een ?dichter" die zich noemt Eric van der Steen. Mijn aandacht werd door de woorden, die de schrijver aan hem wijdde, getrokken, en ik besloot eens wat meer uitgebreid van zijn werk kennis te nemen. Nu weet men weliswaar van te voren, dat het ter hand nemen van producten, ontsproten aan het brein van hen die heden ten dage ,,en vogue" zijn, steeds op teleurstelling en ergernis uitloopt over zoveel zielloosheid, zoveel weëe misselijkheid, verkapte verwaandheid en zoveel eunuchendom, die hierin bijeen staan - doch ik had het er ditmaal toch eens voor over.

De heer Van der Steen echter heeft mijn ergernis nog verre overtroffen en deze om doen slaan in complete walging, toen ik in één van zijn bundeltjes ?Kortom" (verschenen in De Vrije Bladen: men ziet tot welke ziekelijke excessen deze soort vrijheid aanleiding geeft!!) het volgende ploertige vers las:

jonge man die trouwen gaat
trek naar 't strand
terwijl zij baadt
keur haar voeten en haar teenen
zie haar beenen en haar borsten
blijft uw zin
kies dan zee en lijf u in.

Na lezing van de hierboven aangehaalde pornografie op-rijm kan men slechts één gevolgtrekking maken, n.l. dat iemand, met de schaamteloosheid van een lepralijder, die vol trots wijst op zijn stinkende wonden, in deze vieze vorm blijk geeft nooit over zijn prilste puberteitsjaren heen te zullen komen en dat deze heer van der Steen thans in het juiste stadium van zijn physieke en morele gesteldheid is gekomen om eens duchtig te worden onderzocht.'

Na de oorlog legde de Ereraad voor Letterkunde A.J.H.A. Wensink wegens o.a. deze essaybundel een publicatieverbod tot 1 april 1953 op. Een verbod waar hij lak aan had; al in 1950 bracht hij onder de naam Willem Enzinck een dichtbundel, een boek over Limburgse beeldend kunstenaars, een door hem uit het Duits vertaald boek en een bloemlezing met gedichten over moeders uit. 

bronnen:
Tegen de decadenten. Een drietal beschouwingen over onze hedendaagsche letterkunde, door Johan Ponteyne, De Deltareeks, De Amsterdamsche Keurkamer, Amsterdam, [1941].
De Koninklijke Bibliotheek
De Nederlandse Poëzie Encyclopedie i.w.
Familieberichten On-line
Scan van advertentie van Amsterdamsche Keurkamer afkomstig van Mijn Kamp, door Klaas A. Mulder
Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Deel 3A De kleine collaboratie, de Arbeiderspers, Amsterdam, 1990



Koot en Bie: terugblikken

Vanavond deel 1 van een drieluik over Koot en Bie, op Nederland 2 om 20: 20. Het door Coen Verbraak gemaakte drieluik Koot en Bie sloegen weer toe wordt mooi besproken op de website van Trouw, waarin Bie verzucht: "Onder de dertig kent niemand ons. Dat is goed zo". Maar ooit, ooit waren Koot en Bie dé ankerpunten voor eh... onze generatie. En ze hielden ook van literatuur:



Ted van Lieshout gisteren bij P&W



Thematische bloemlezingen

De Het wekelijkse column essay van Bart FM Droog*

Waarschuwing: het volgende essay is gebaseerd op de vondsten tot dusverre. Er kunnen nog bloemlezingen opgegraven worden die het onderstaande relaas volkomen ineen doen storten. Maar dit terzijde.

RevolutieNaast de overzichtsbloemlezingen of anthologieën uit het werk van een bepaalde groep poëten (studenten-, jonge, vroeggestorven, prof-, uit een bepaalde stad, streek- of provincie-, levende, zondags-, nazi-, reli-, bejaarde, demente, dode, vergeten (al dan niet in combinatie met levend of dood) en vergane dichters) kennen we ook de thematische bloemlezingen.

Vaak wordt daar een beetje smuilend over gedaan. Geheel ten onrechte: want in dat soort bloemlezingen staat het gedicht centraal, en minder de dichter. Ook verkoopt dit soort anthologieën goed. Althans, dat deduceer ik uit het grote aantal themabloemlezingen dat sedert 1913 op de markt is gebracht


1913. Een gedenkwaardig jaar. Vooral vanwege de Nationale en Internationale Landbouwtentoonstelling die toen in Den Haag georganiseerd werd. Een evenement dat van buitensporig grote invloed is geweest op het Nederlandse poëzielandschap. Want het betekende de geboorte van de eerste mij bekende themabloemlezing uit de 20ste eeuw: De landbouw in de poëzie. Ter gelegenheid van de nationale en internationale landbouwtentoonstelling gehouden te 's-Gravenhage in 1913 (Onder red. van W.C. Capel. 's-Gravenhage, Koninklijke Nederlandsche Landbouwvereeniging, 1913).

Ook in dat jaar verscheen bij de mysterieuze uitgeverij Z.J. Koning in het gehucht Oostwolde (Oldambt) Mosroosjes, de zoveelste naar planten genoemde bloemlezing in de reeks 'Ernstige en luimige gedichten'. Ergens in de 19de eeuw bracht bloemlezer/drukker/uitgever/boekhandelaar Z.J. Koning (19de eeuw/20ste eeuw) het eerste deel van deze reeks uit. Fuchsia's, Madeliefjes en meidoorns, Goudsbloemen, Heestertakjes - een schier misselijk makende lijst van groen- en ander onkruidtitels, die bovendien herdruk op herdruk beleefden. Nota bene: dit waren - zover ik weet - géén themabloemlezingen.

Terug naar de themaänthologieën. Kort na 1913 brak de Eerste Wereloorlog uit. Dat bleek niet alleen een geweldige boost voor de techniek, de kunst en de vrouwenemancipatie, maar ook voor de poëzie. Want ten gevolge van de frisse, vrolijke oorlog die van 1914 tot en met 1918 in met name België woedde verscheen de volgende themabloemlezing: Oorlogspoëzie verschenen in 1914 en 1915 en onuitgegeven gedichten. Verzameld door Jan Bernaerts en Hendrik Heyman, Drukk. van het Militair Gesticht van vakheropleiding voor zwaar gekwetsten uit den oorlog, Port-Villez, 1916. 218 p.

Dit was het eerste deel in de reeks thematische oorlogsbloemlezingen, die tot op de dag van vandaag in Nederland en Vlaanderen verschijnen. Niet al te lang geleden breidden zowel Tom Lanoye (o.a. Overkant. Moderne verzen uit de Groote Oorlog, 2004) als Geert Buelens (Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog, 2008) deze reeks met omvangrijke boekwerken uit.

In de jaren twintig zien we tal van bloemlezingen met revolutionaire poëzie. Revolutie was toen zeer in de mode, getuigen: Revolutionaire poëzie. Bloemlezing uit de werken der revolutionaire dichters. Geschikt voor declamatie [op omslag: Revolutionaire verzen], [1920] en Bloemlezing van revolutionaire poëzie (klik erop en lees het pdf.bestand)(1923).

Landbouw, oorlog en revolutie, dat waren de belangrijkste thema's in het eerste kwart van de twintigste eeuw, bewijzen ook de volgende opgegraven bloemlezingen: Landleven. Gedichten en prozafragmenten (1923) en Vlaamsche oorlogsliteratuur. Bloemlezing (1924).

Hoog_het_glas_1927_0001Maar dan. Er is geploegd, gezaaid, geoorlogd en gerevolutioneerd. Inspannende bezigheden, die vragen om een weerwoord. En jawel, weer wijzen de thematische bloemlezingen de weg (of getuigen van de tijdsgeest, dat kan ook): ?Hoog het glas!? [1927] en Dietsche Lusthof (1927). En wat volgt na al dat gefeestbeest? Jawel, de kater: Verzen van stilte en inkeer (1927).

(wordt vervolgd)

* Deze week leerde ik dat bepaalde fondsen wel de productie en publicatie van essays subsidiëren, maar niet die van columns. Vandaar deze ondertitelwijziging.
** De afbeelding is de voorkant van een bloemlezing uit 1929: Tijdsignalen. Bloemlezing uit de moderne revolutionaire poëzie. Amsterdam, Arbeiderspers



Over Mijn naam is Legioen, Menno Wigman

Door Koenraad Goudeseune

WigmanlegioenIk geloof dat ik de eerste ben in de Nederlandse poëziekritiek die Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI dus, met instemming citeert. In Jezus van Nazareth, deel I' noteert hij over theologische exegese: '(...) is het echter ook belangrijk te beseffen dat ieder wat zwaarwegender woord van mensen al meer in zich bergt dan de auteur ervan zich op dat precieze moment bewust is. De innerlijke meerwaarde van het woord, dat uitstijgt boven het moment zelf, geldt zoveel te meer voor de woorden die gerijpt zijn in het proces van de geloofsgeschiedenis. Daar spreekt de auteur niet simpelweg vanuit en voor zichzelf. Hij spreekt vanuit een gemeenschappelijke geschiedenis, die hem draagt en die tegelijkertijd haar eigen toekomstmogelijkheden, haar verdere weg al stilletjes in zich bergt. Het proces van verder lezen en ontplooiing van woorden, zou niet mogelijk geweest zijn als niet in de woorden zelf zulke innerlijke openingen al aanwezig waren. (curs. van mij, KG)'

Innerlijke openingen. Het woord 'Legioen' is zo'n opening.  Menno Wigman vat zijn nieuwe bundel aan met het bijbelvers uit het evangelie van Marcus, hoofdstuk 5 vers 9, en pal daaronder iets van de rockster Johnny Rotten met veel fuck, fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat. Het bijbelvers gaat zo: 'Daarom vroeg Hij hem: 'Wat is uw naam?' 'Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.'

Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar op mij heeft een bijbelcitaat altijd een verpletterende indruk. Hoe bedenkelijk van strekking ook? Ja. Op welk boek werd er door de eeuwen heen zo vaak gezworen de waarheid en niets dan de waarheid te spreken? Is het niet alsof al die dure eden zich bij de schrift zelf hebben gevoegd en ook al werd en wordt er net zo vaak of zelfs meer krom gesproken en onwaarheid beleden, de act van het zweren, het zich beroepen op, verleent dat boek, die bibliotheek van boeken, een extra ernst, een extra lading geschiedenis. En of die geschiedenis nou verwerpelijk of tot eer strekkend is, doet er eigenlijk niet toe.

De mooiste foto van Gerard Reve, ik bedoel de foto waarop hij voor mij het volledigst Gerard Reve is, is die waarop hij aan een mica treintafeltje in de bijbel zit te lezen, het leeslint tegelijk parmantig en devoot tegen het goud op snee der bladzijden vlijend. Papieren vlaggetje , geel, met een toelopende punt dat uit het pochet van zijn vest steekt en waarmee hij de vorige paus, die Pool, in Ieper gaat begroeten, juli 1986. Ik ben eens voor de grap op zoek gegaan naar een bijbelvers dat helemaal geen gewichtigheid bezit en eerder als cement tussen twee andere bijbelverzen moet worden opgevat. Niet gevonden! Je meent het? Ja, dat zegt inderdaad iets over de teksteconomie waarmee al die epiek zich presenteert.

Doet Marcel Proust er een tiental bladzijden over om zijn tante 's morgens in haar kamer gedag te zeggen, Jozef heeft in 'Genenis' welgeteld aan één zin genoeg om de komst van zijn vader aan de Farao te melden. Helemaal het einde vind ik het om daarbij de oudste Nederlandse bijbelvertalingen te gebruiken, de Statenvertaling uit 1637 bijvoorbeeld, waarvan dat vers uit het Euangelium Marci aldus luidt: 'Ende hy vraeghde hem, Welck is uwen naem? ende hy antwoordde, seggende, Mijnen naem is Legio, want wy zijn vele.'

En voor je het weet ben je vertrokken natuurlijk, want dan ga je ook de kanttekeningen lezen, lekker ouderwets met een loupe bezig, en die kanttekeningen verwijzen dan weer dieper dat dikke boek in, verder terug in dat oerdegelijke oude Nederlands dat zich steeds meer met betekenis gaat wapenen. Altijd het gevoel daarbij dat ik in een museum loop en de toestemming heb om de miniaturen, schetsen, schilderijen, beelden, gebruiksvoorwerpen, alles wat daar hangt, staat of ligt  te bevoelen en te besnuffelen en het desnoods naar mijn kamer mee te nemen, er mij haast fysiek één mee te maken, heel vreemd. Dat ik de glazen kasten waarin al dat exquis erfgoed ligt tentoongesteld mag openen en er op mijn gemak in mag bladeren, zo'n gevoel. En zo leer je ook eens wat.

Legio, dat eerdere woord voor Legioen, was een regiment krijchsknechten, waer van siet Matth 8:28. En ook daar een kanttekening, loupewerk: Legio was gemeynlic een hoop van vijf duysendt voetknechten ende vijf hondert ruyters, somtijdts meer, somtijdts min, daerom wordt dit woort Legio, somtijts genomen voor een heyrkracht, ofte voor seer vele.'

Je kunt deze liefhebberij natuurlijk tot in het krankzinnige uitwerken, maar als een en ander binnen zekere maten en esthetische perken blijft, houd ik er erg veel van, alleen al het taalplezier! Schiet nou maar wat op, tante.

Met 'Legioen' wordt dus een hoop uit te drijven duivels bedoeld, het bijbelfragment is in de Statenvertaling erg beeldend. 'En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens.) En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want we zijn velen. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: 'Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen: en de kudde stortte van de steilte af in de zee.'

Menno Wigman bezong al eerder de onlustgevoelens van het moderne stadsleven en ook in dat vroegere werk was de bijbel in methaforische zin nooit ver weg. In het gedicht 'Slechte gedachten' (uit 'Zwart als kaviaar') schrijft hij: 'Zelfs in het licht van het begin / was het een bijbelzwarte nacht.' En dit prachtige: 'De taaie spieren van een woord / dat eeuwen eerder is gezegd.'

Opvallend bij dit gedicht is ook hoe volstrekt unisono qua thematiek het met een ander gedicht is, van een generatiegenoot, Charles Ducal en diens 'Begin', waarin de 'ik' zich zijn eigen conceptie voorstelt, het geslachtelijks dienaangaande, de vrijpartij van zijn ouders dus. En die voorstelling is nooit vrij van wat ik hier maar gemakkelijkheidshalve porno-alarm zal noemen: 'Hoe werd ik begonnen die nacht?'/ In welke schuwe, onzegbare woorden. ()  Lagen zij in hun schaamte te zweten, enkel ontbloot van geslacht / tot geslacht? Kwam ik uit liefde?/ Of door een godsdienst bedacht?' En Menno Wigman vraagt zich af: 'Ben ik een vochtig misverstand? / Werd ik beraamd? Ik ben de uitkomst / van een enthousiaste winternacht, / de nasleep van een natte grap / die mij alsnog ontgaat.'

Er zijn wel meerdere raakvlakken tussen Menno Wigman en de Vlaamse dichter Charles Ducal en een preocupatie met porno is daar slechts één van. Dit geeft aan dit uurtje cathegese meteen een aardige wending, u zegt het, maar wat me daarbij ook opvalt, is dat een preocupatie met porno eigenlijk ieder mens geldt, hetzij het hem vervult met walg en schuldgevoel, hetzij hij het gewoon lekker vindt en het hem allemaal geen ruk kan schelen, hetzij zijn onverschilligheid van recente datum is of ook alweer vergeten. Waarom zou dat bij dichters anders zijn? Kan poëzie dan fatsoenlijk over porno spreken? Wie weet?

Had Marcel Proust het ding gekend, en had hij het met eenzelfde fenomenologisch luisterende beschrijfdrift benadert, wie weet leverde het erg smakelijke bladzijden op? Ja, natuurlijk is dat onzin. Maar het heeft misschien niet eens zoveel gescheeld? Film was in Prousts tijd nog maar een flauw plantscheutje en omdat hij er zo gebiologeerd door was en er een soort wetenschappelijke zorg aan wou besteden, zou hij zich vast ook over pornografie hebben gebogen, alleen al misschien omwille van de penetrerende kracht die het op jonge mensen heeft en in welke vorm het ook een engelachtig wezen bereikt en het louter visuele ervan.

Ik bedoel maar dat ons spreken in die zeeën van gewoonheid en lelijkheid ook eilanden kent waarop het er anders aan toe gaat, waarop dat spreken als het ware ruimte biedt aan rechtschapener inzichten, als met een andere stem en vanuit een andersoortig gezag gesproken. En ondermeer dat heeft poëzie dus met religie gemeen, naar mijn aanvoelen. Alsof er aangaande het religieuze beleven en het zuchten om de eigen zieleheil ook een pornokant zit en er bijgevolg wel iets voor te zeggen valt dat alles wat religie aangaat een strikt privé-aangelegenheid hoort te zijn. Soms denk ik dat religie het sexuele genot verzuurt omdat je je nu eenmaal niet kunt overgeven aan het memoreren van smartelijke gebeurtenissen terwijl je geniet, behalve in een masochistisch zwelgen. Een regel die dat naar mijn smaak perfect illustreert en waarbij ik hardop in de lach schoot: 'Vanochtend bij de tandarts aan je kont gedacht.'

Het mechaniek van Wigmans humor zit hem misschien in het virtuoos wisselen en het aan de orde stellen van erg ongelijksoortige decors en de frictie van wat normaliter geen mengmogelijkheden bezit. Waar we porno vooral invullen als lustbeleving, biedt Wigman een setting waar een tandarts een al net zo ingrijpende vleselijkheid heeft te dragen. En dat schuurt op onze lachspieren. Ik herinner me een lezing van Menno Wigman waarop hij zich vrolijk maakte over de golf van herkenning die altijd door de zaal trekt bij deze regel: ''s nachts onder je pc je zaad opvegen.' (Uit 'Tuincentrum Osdorp')

Ook in het gedicht 'Rust Niet' wordt naar de bijbel verwezen: 'De hemel kijkt niet in de bijbel, geen ster/ spelt de koran. Maar wie goed lezen kan / ziet elke penning voor een zegen aan.' Openingen dus. Ieder gedicht van Wigman ontsluit zo je wil een duivel of meerdere tegelijk, daar ze met velen zijn. En in 2012, op een van de rijkste plekken van de wereld, hoger opgeleid en in relatieve luxe (hotels, aftershave, taxi's, dope, mooie meiden, succesvol) maakt het voor de duivel en zijn trabanten a walk in the park Wigman te bezoeken. Met zoveel godsdienst als achterdoek, is sex natuurlijk het eerste wat kietelt en detoneert. Daarnaast natuurlijk het feit dat een mens met ouder worden er niet jonger op wordt en ook mede daardoor in zijn meest enthousiaste activiteit wordt begrensd.

'Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet / en met een onvervreemdbaar recht op seks', zo schrijft hij in een gedicht waarin hij zijn mededogen met een hoerenloper bevraagt. 'En is het waar dat ieder na zijn veertigste / voor zijn gezicht verantwoordelijk is?' Al heel wat geleefd dus en 'geen bed werkt over'. Met 'Tot mijn pik' opent Wigman de bundel: 'je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe / van wie je ziedend van je zaad ontdoet.' Van een zinnelijke klankrijkdom is ook dit: 'En naakt / als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.' Nog meer bijbel: 'De halve ark van Noach lag hier in de vriezer.'

Ik heb in het begin van mijn stuk vrij lang blijven stilstaan bij dat bijbelfragment waaraan Wigman de titel van zijn bundel ontleent. Daar lezen we niet alleen dat de duivel met veel is, maar ook: 'Want hy was menichmael met boeyen ende ketenen gebonden geweest, ende de ketenen waren van hem in stucken getrocken, ende de boeyen verbryselt, ende niemant was machtich om hem te temmen.' En het vers daarna luidt in de Statelvertaling van 1639 aldus: Als hy nu Iesum van verre sach, liep hy [toe], ende aenbadt hem.' Een biddende duivel dus, hoe vreemd. Of toch net zo vreemd als een engel met een criminele inborst.

Een demoon die niet voor één gat te vangen is, zo kunnen we het ook begrijpen en in deze vergelijkbaar met de complexiteit van het moderne stadsleven, aldus Wigman. Nu zie ik daar allicht niet méér in dan mijn eigen religieuze folklore, maar je hoeft natuurlijk geen ultramontaan te zijn om Ratzinger hier voor een deel te volgen: 'Dat de afzonderlijke boeken van de Heilige Schrift, evenmin als de Schrift als geheel, louter literatuur zijn.' Je kunt namelijk deze zin ook lezen met als onderbelichte rest: literatuur. En hààr noodzakelijke heiligheid wordt door de dichter betracht. Met 'een mond vol Proust en Bloem.' En daarin wordt al aannemelijker dat die duivel er zelf om vraagt bezworen te worden, overgedragen tot de varkens. Het betreft hier zijn eigen wilsbesluit. Ook hier lijkt literatuur er op gebrand te zijn de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen.

Kortom: de dichter heeft het allemaal aan zichzelf te danken. Dicke sult, eyge bult. Er moet maar weer eens kunnen worden gelachen in de poëziekritiek. Wigman toont zich hierin een groot dichter dat hij deze thematiek des eigen navels weet uit te vergroten en er het leven vollediger mee vangt, samen met het zijne ook dat van ons, want we kunnen er ons in herkennen. Wat bij een mindere bard vaak tot een soort noodlotstemming noodt zoniet helemaal om te huilen is, omzeilt Wigman, of beter overtroeft hij met regels die qua geestigheid en taalmuziek hoog scoren. Dit bijvoorbeeld: 'De regen, droever dan een roebel, praat hoogmoedig op je in.' Ook hier drie maal en drie maal met een soort vertraagde nadrukkelijkheid: oe oe oe.

Maar in geval van Menno Wigman gaat rijm ergens over, het gaat ergens naartoe, er is geen achteraf waarin nog altijd moet worden gebeden. Was het taak deze of gene demoon te bezweren dan is hij ook bezworen. Om het met een begrip uit de theologie te zeggen: het alsof Wigman er ook in slaagt over de eschatologische termen van ons bestaan te spreken, de leer van de laatste dingen voor een moderne stadsmens en zijn onlusten. En er mag dan wel veel dood in die verzen steken, ze worden onder onze neus ook zo geboren, zo echt bedoel, dat het is alsof je geheugen ze op de één of andere manier wil dopen, ze bestendigen in eigen naam. Wat ook niet erg machtig blijkt te zijn overigens of veel lijkt te betekenen, want met 'inkt van niks die zegt dat we bestaan.' In 'Lelijk zijn we' gaat het zo: 'Ik las / dat in het Paradijs geen spiegels waren.'

Voor Menno Wigman, wat zijn die laatste dingen nu al? Dat zijn moeder dood gaat, bijvoorbeeld. In 'Kamer 421' doet Wigman iets met rijm waarvoor het eigenlijk bedoeld is. Hij schrijft: 'Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,' Ik heb het geluk niet gekend mijn moeder oud te zien worden, te zien af takelen en op gezegende leeftijd te verliezen, maar ik heb wel eens gedacht dat ze als oud vrouwtje ineen zou zijn gekrompen als een kip, verkruimeld tot stukje gebak met een mantel, een haarnetje en een wandelstok. Dit alles lees ik in die regel. Alle moeders gaan kapot. En gedichten zijn misschien 'zwachtels voor de hersenstam'. Nog meer moderne duivels: Vuilstort, hiphop, 'Alleen een dreun die viert dat niets zichzelf uitziekt.' Massavaccinatie, Tuincentrum Osdorp. 'Ik weet het: iedereen zijn eigen hel. / In leven blijven, naar je werkplek tijgen.' In 'Slotsom' luidt het: 'Je sterft alsof een fruitkast geld uitkotst.' 'De waanzin zelf gaat goed gekleed.' 'De zieke adem van immens gespierde stenen.'

Mensen, wat een prachtige bundel is Mijn naam is Legioen! Je wordt vrolijk van Wigman. Hoe als in mineur slechts dit te lezen valt, ik word er toch vrolijk van: 'Soms voel je bijna dat je leeft. Je boekt / een vlucht, betreedt een stad, neemt kamers in / en waant je halfgod bij een kofferklik.' Er worden ook twee eenzame doden bij het graf uitgeleide gedaan, bij één vond men een kat op zijn borst in vergevorderde staat van ontbinding, zo ver zelfs dat het een stuk textiel wordt ter troost. Dit over de top zijn troost vreemd genoeg.

Wat je demonen ook moet nageven is dat ze leep zijn, dat spreekt voor zich. Als we Marcus mogen geloven, kunnen ze ook bidden. Biddende, bezwerende demonen die er zelf om vragen in zwijnen te mogen overgaan. De duivel, allemaal geestelijk, ziet die zielsverhuizing als een uitweg, niet gepijnigd te worden, en dat hij daarbij niet om zijn eigen dieronvriendelijkheid maalt, valt licht te begrijpen.  Is dit wat Menno Wigman ook vraagt? Het zou al te makkelijk zijn daarop bevestigend te antwoorden, want ook 'literatuur' is in de wereld van Wigman een demoon en dan komen we tot de eigenaardige vaststelling dat literatuur er pas kan zijn als zij haar eigen zwijgen bevordert. 'Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht' schrijft hij in het slotgedicht 'De weg van alle boeken', 'en zeven keer schreef ik mijn naam. / Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.' Is dit Menno Wigman goes Idha Gerhardt? Nee, daar blijft het te geestig voor en ter uitleg kun je er ook nog wat Reve tegenaan gooien misschien, maar ernstbiedend grappig is het zeker. Het is 'Iets met verdwaasde hoogmoed, dunne roem / en een goddelijk trauma dat ik niet noem.'

In 'De kant van Swann' schrijft Marcel Proust over het ontluikende dichterschap dit: 'En 's avonds, mijn hand vasthoudend, wees ze mij, als we voorbij de kleine tuinen van haar vazallen kwamen, op de bloemen langs de lage muren die hun paarse en rode trossen ertegenaan vlijden en leerde me hun namen. Zij hoorde me uit over de thema's van de gedichten die ik van plan was te maken. En door die dagdromen werd mij duidelijk, aangezien ik later een schrijver wilde zijn, dat het tijd was te weten wat ik dacht te gaan schrijven.' In die hoogromantische traditie lijkt het wel alsof Wigman een uitvaartvariant schrijft als hij zegt: 'Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur / dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op, / je hebt je kans gehad. Toen droop ze af / en keek ik weer wat grand old Google bracht.'

Van een fenomenologische geestigheid is dit: 'Zebra's zonder huid'. En hij is nergens sentimenteel, niet omdat hij aangaande gevoeligheden voortdurend als een ijspiek in het gelid staat, maar omdat hij er in slaagt die perfecte mix te brengen waardoor onze gemakkelijke tranen alsnog kunnen vloeien. Abortus, vruchtonderbreking, om maar eens een gevoelig thema aan te raken, en de mentale ellende die dat àltijd met zich meebrengt, zag ik glashelder in het gedicht 'Kernrot' en excelerend in deze regel geformuleerd: 'Soms schrijft het op de speelplaats van de maan / een naam die ik herken.'

Hoog tijd dat ik zijn 'Red ons van de dichters' ga lezen.

© Koenraad Goudeseune

 

 

 

 

 

 



Jeroen Olyslaegers sprak:

Geachte toehoorders

Sta mij toe om eerst naar voor te schuiven dat het keurslijf van de verontwaardiging mij al te zeer knelt. Onze huidige samenleving maakt het immers al te gemakkelijk om verontwaardigd te zijn. De leugen lacht ons open en bloot toe. Je staat op, je maakt ontbijt en je zet achteloos de radio op om naar het nieuws te luisteren.

Twee minuten later staat het schuim al op je lippen. Je bent verontwaardigd. Alsof het een tweegesprek is, roep je een paar politici van alles toe. Je verwijt ze een gebrek aan visie. Je vermoedt dat ze niet de belangen van de bevolking verdedigen, maar geheel iets anders dienen: de banken, de multinationals, de energiegiganten

{De meer dan volzette 'Avond van de Verontwaardiging' in de Beursschouwburg op 31 januari 2012 bood een gevuld programma. Er waren lezingen van schrijver Jeroen Olyslaegers, politicoloog Jeroen Van Laer (UA) en auteur Dirk Barrez (DeWereldMorgen.be) gevolgd door een levendig publieksgesprek.}



Jacques Gans: Liefde en goudvissen

In zijn mini-column voor de VPRO-gids heeft Wim Brands het deze week over Liefde en Goudvissen, de roman van Jacques Gans. Ik herinner me nog precies wanneer en waar ik het boek voor het eerst las: in Leuven, waar ik toen vijf maanden woonde, in een kot van 2 bij 2,5 met op de deur een bordje 'Nooduitgang'.

Bij De Slegte ter plekke lagen toen vijf boeken van Gans, die ik allemaal voor rond de 100 frank per stuk heb gekocht: Het pamflet, weekblad tegen het publiek, Berlijns Dagboek, 1931-1933,  Liefde en goudvissen en Het vege lijf. Ik las ze alsof het brieven waren, aan mij persoonlijk gericht, boeken met een bordje 'Nooduitgang' erop. Boeken van een dwarsligger met een licht-sentimentele inborst: een Paul Láutaud op polderformaat. 

De dwarskop Gans, met zijn slechte reputatie, is nog steeds een Geheimtipp, een schrijver die het zou verdienen om uit de marge te worden geduwd, richting literair centrum (als dat nog bestaat). Zijn stijl, zijn manier van ageren, zijn lust om tegen te zijn, zijn spitse redeneertrant: ze maken bijna alles wat hij schreef, zelfs als het over vakanties met de huifkar ging, onweerstaanbaar.

De briefwisseling die hij onderhield met E. du Perron is uitgegeven onder een titel die het allemaal wel samenvat: Als het moet, alleen tegen de geheele wereld. Gans heeft precies op die wijze geleefd: als schrijver van (helaas) maar twee romans, als columnist van De Telegraaf (wat hem niet in dank werd afgenomen, al had hij veel fans, onder wie A. Roland Holst, hoewel die ook niet heel links was) en als tientjes bietsend drank- en vreetorgel.

Komt u een van de boeken van Gans tegen, in het antiquariaat: verlos het daaruit.

p.s. Zou deze aflevering van Recht voor z'n Raab iets met de roman van Gans te maken hebben?



1070 Bloemlezingen sinds 1900

en de teller loopt door

Een van de bronnen voor het onderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie wordt gevormd door de poëziebloemlezingen. In de verantwoordingen kan je veel informatie vinden over bundels die niet bij de Koninklijke Bibliotheken bekend zijn. Maar om die anthologieën te onderzoeken, moet je ze wel weten te traceren.

Vandaar dat Jurgen Eissink en ik de afgelopen maanden druk bezig zijn geweest met het registreren van de sedert 1 januari 1900 verschenen bloemlezingen. Hoewel we nog dagelijks ons onbekende bloemlezingen uit de jaren Nul van de twintigste eeuw tot en met de jaren Tien van de eenentwintigste eeuw ontdekken, is Eissink vandaag maar eens gaan turven. Dit is het resultaat:

1900-1909:   40 bloemlezingen
1910-1919:    45 bloemlezingen
1920-1929:   49 bloemlezingen
1930-1939:   86 bloemlezingen
1940-1949:   85 bloemlezingen
1950-1959: 121 bloemlezingen
1960-1969:   86 bloemlezingen
1970-1979:   72 bloemlezingen
1980-1989: 122 bloemlezingen
1990-1999:  171 bloemlezingen
2000-2009: 179 bloemlezingen
2010-2012:   14 bloemlezingen

totaal: 1070 bloemlezingen

Let wel: dit zijn slechts tussenstanden.


Bij deze telling zijn de twijfelgevallen (bloemlezingen waarvan we niet zeker weten of ze aan onderstaande criteria voldoen) buiten beschouwing gelaten.
Enfin, we blijven noest doorspeuren, want nog voor onze dood moet het af. We houden u op de hoogte.


Criteria voor bloemlezingen, zoals gebruikt in het onderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie

Een bloemlezing is 'een boek bevattende uitgezochte stukken proza en/of poëzie' (Kramers Handwoordenboek Nederlands, 1993)

Een bloemlezing die geregistreerd wordt als bloemlezing in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie is daarnaast

1. - een oorspronkelijk Nederlandstalig boek uitgebracht door een 'reguliere' uitgeverij of bedrijf* in een grotere oplage dan doorgaans voor afzonderlijke bundels gebruikelijk is.
* de afgelopen honderd jaar hebben diverse bedrijven die doorgaans geen boeken produceren wel bloemlezingen uitgebracht, doorgaans als relatiegeschenk, in vaak hoge oplagen. Zoals bijvoorbeeld de ESSO-bloemlezingen, oplage 17.000.
2. niet tot stand gekomen als gevolg van een wedstrijd (uitzondering: de beste gedichten van 2010 etc, die een uitvloeisel zijn van de VSB Poëzieprijs)
3. een bloemlezing die voornamelijk werk bevat van 'professionele' dichters (i.e. dichters die werk bij 'reguliere' uitgeverijen uitbrengen).
4. een bloemlezing die niet alleen voor scholieren bestemd is, maar ook voor het plezier gelezen kan worden.
Dus een bloemlezing waar onder een gedicht een hele vragenlijst staat niet, een schoolbloemlezing waarin geen expliciete vragen of opdrachten staan wel. In veel bloemlezingen van vóór 1980 staat vermeld dat ze (ook) voor het onderwijs bestemd zijn - als uitgevers dat in een bloemlezing afdrukten hoefden ze geen rechten aan de dichters te betalen. Een regel waar tientallen jaar misbruik van gemaakt is.
5. een bloemlezing die oorspronkelijk Nederlandstalige gedichten bevat of - wat soms bij Friestalige gedichten het geval is - gedichten die door de dichter zelf vertaald zijn.



Debuut Michaël Vandebril

Op 4 februari verschijnt het tweetalige poëziedebuut van Michaël Vandebril. Het vertrek van Maeterlinck / L'exil de Maeterlinck "bezit een onbestemde nostalgie die eigen is aan de grote romantische en symbolistische literatuur. Er is geen kaart voorhanden die je op weg helpt in dit poëziedebuut, maar wie ronddwaalt in deze gedichten, wordt beloond met onverwachte beelden en sensaties. (...) De dichter vroeg het gelauwerd dichtersduo Jan H. Mysjkin en Pierre Gallissaires om zijn gedichten te vertalen in de taal van Voltaire. Zijn tweetalige debuut wijst op een grote verbondenheid met de Franstalige poëzie, maar ook met het moeilijke Belgische huwelijk tussen de Germaanse en Romaanse cultuur."

Michaël Vandebril vroeg enkele (video-)kunstenaars om videopoems te maken op basis van gedichten uit de bundel. Swoon maakte een eerste videopoem voor het titelgedicht:



Toespraak Komrij Nationale Gedichtenprijs

"Dames, heren! Dit is de derde Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, de prijs lijkt een blijvertje geworden, een klassieker-in-de-dop, het enthousiasme van de deelnemers is onverminderd, en met de reputatie wil het ook wel lukken. De VSB-prijs voor de ivoren toren, de Turing-prijs voor ons straatvolk - de troubadours, de amateurs, de flagrante mislukkelingen en de schuwe genieën. Weer waren er meer dan 10.000 inzendingen, deze derde keer." Zo begon Gerrit Komrij zijn toespraak voorafgaand aan de uitreiking van de Nationale Gedichtenprijs eerder dit jaar.

Ik merk dat ik tot deze groep behoor, deze groep die in zijn toespraak voorkomt: "De poëzie moet naar het volk, vinden de heren (de zeurders zijn meestal heren), maar owee als het volk aan de poëzie komt. Dan is dat ineens populisme, entertainment, vervlakking en toegeven aan de cultuur van 'dat kan mijn kleine broertje ook'." Al zijn mijn bezwaren wel iets fijnmaziger (hoop ik ((en al heb ik natuurlijk wel meegedaan, dit jaar))).

Lichte verbazing maakte zich meester bij het lezen van deze passage: "Uit de Turing-wedstrijd komen grote beloftes te voorschijn, je ziet mimosa-achtig schuchtere types openbloeien en elk jaar wordt er weer op een wonder gehoopt. Jawel, de meeste mensen kunnen niet dichten, al proberen ze het nog zo hard. Geloof niet in scholen en cursussen die beloven van u een dichter te zullen maken. Maar waarom zou er niet ergens een dichter rondzwerven die van zich zelf nog niet weet hoe goed hij (of zij) is? Alle dichters moeten ergens beginnen. Hoe en waar begint de poëzie zelf?"

Graag zou ik de namen van die mimosa-gelijken eens willen horen. Want ik heb ze, tot nu toe, gemist... 



Wislawa Szymborska overleden

De Poolse dichteres Wislawa Szymborska is overleden. Op de website van de Volkskrant meer informatie, een gedicht en een stuk film. Lees ook dit stukje van Miriam Rasch. De documentaire Einde en begin is hier nog te bekijken. Een niet nader te noemen directeur van een niet nader te noemen internationaal poëziefestival aan de Maas noemde haar werk "ulevellenpoëzie". Nu ja. Toch won zij de Nobelprijs.

Jef van Gool publiceert op Literatuurplein een fraaie herdenking: "'Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, / vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden. // Wanneer ik het woord Stilte uitspreek, / vernietig ik haar. // Wanneer ik het woord Niets uitspreek, / schep ik iets dat in geen enkel niet-bestaan past.? Het gedicht ?De drie wonderlijkste woorden', over drie woorden die hun eigen ontkenning al in zich meedragen, is een kort maar daarom niet minder beklijvend gedicht van Wislawa Szymborska in de bundel Het moment."

Op de website van De Standaard een in memoriam: "In de zestig jaar dat Szymborska schreef, werden nog geen vierhonderd gedichten van haar hand gepubliceerd. Toen haar een keer gevraagd werd hoe dat kon zei ze: 'Er staat een prullenbak in mijn kamer. Een gedicht dat ?s avonds wordt geschreven, wordt ?s ochtends nog eens gelezen. Het overleeft het niet altijd.'"

Op het Avondlog citeert Wim Brands deze prachtige regels: "Mijn zuster schrijft geen gedichten / en het is onwaarschijnlijk dat ze plotseling / gedichten zal gaan schrijven. / Dat heeft ze van haar moeder die geen gedichten schreef..."



Lezen als straf

Vlaamse barmhartigheid
Lezen als zware straf
Man slipt in Zele
Tot A.F.Th.

Tonio is dood maar zijn
Autonoodlottigheid
Zingt door de straten:
Dit laat hij nog na

© Eelke van Es



Page last modified on 14-januari-2009 om 00:33
  1. SearchWiki
  2. Recent Changes
  3. All Recent Changes
  4. WikiHelp
  5. Backlinks