Nieuws van Poezie Weblog De Contrabas
God speelt met zijn haren in de ochtend
Toen ik in 1965 geboren was en om me heen begon te kijken, bleken mijn ouders één ding over het hoofd te hebben gezien. Er is geen zee in Limburg. Ik hou van de zee, van het strand, en ik vond het al snel bijna onverdraaglijk dat mijn ouders mij probeerden wijs te maken dat natuurgebied De Banen "ook heel veel water" bevatte. Daar tuinde ik, jong als ik was, mooi niet in.
Omdat ik van de zee houd, hield ik eveneens al vroeg van het werk van A. Roland Holst, de zee-dichter bij uitstek. Ik denk heel vaak aan A. Roland Holst, gek genoeg, want ik heb de man nooit ontmoet. Er zijn echter heel wat situaties waarin ik me zijn gestalte even voor de geest haal. Bijvoorbeeld als ik de zee zie, of gewoon, zomaar, overdag, als ik buiten loop.
Bovendien ben ik waarschijnlijk de enige Nederlander die zijn gedichten nog met plezier leest. Sterker: die zijn werk met enige regelmaat herleest. Zélfs de vroegere bundels, waarvan iedereen vindt dat die voornamelijk tijdgebonden lyriek bevatten, en dan drukt men zich vriendelijk uit. De meeste mensen zouden zeggen dat die eerste bundels scheef staan van de cliché's, de uitgekauwde lyriek en de platgeslagen verstrucs.
Toch ben ik er, en nu niet meer stiekem, gek op.
Toegegeven, Roland Holst dicht wel eens een ons te veel. Maar dat ons te veel is altijd nog fijner om te lezen dan de vriendelijk gefiguurzaagde, netjes afgepaste, door sommige redacteuren platgeslagen, afgewogen, met prijzen en beurzen overladen, goed op gewicht zijnde verzen van hedendaagse dichters. Daarnaast was hij, Roland Holst dus, een fervente anti-democraat, een door zijn rijke familie onderhouden non-valeur, iemand met standpunten waarvan je zelfs bij zijn leven al plaatsvervangende schaamte had kunnen krijgen, enzovoort, et cetera. Maar schrijf bijvoorbeeld deze openingsstrofe van het gedicht 'In ballingschap':
Ik kon vannacht niet slapen, zoo heb ik gesmachtnaar de eenige aardsche stem die mij nog kan verlossen:
naar dat groot aangaan van de zee bij de Hondsbossche,
de lange wering in het noorden van den nacht.
Wel had een stem het buiten over heide en bosschen -
maar heeft de nachtwind ooit een balling troost gebracht?
... en er zal je veel vergeven worden. Misschien niet alles, maar wel een heleboel.
Voor Roland Holst was de zee geen spelletje. Als hij er in de Tweede Oorlog een tijd van gescheiden is, dicht hij, en ik citeer uit hetzelfde 'In ballingschap': 'Ik hard het leven in dit binnenland niet meer'. Roland Holst leefde aan zee, met de zee, bijna dóór de zee. Hoewel zijn verzen niet vrij zijn van pathetiek, dát heeft op mij altijd een authentieke indruk gemaakt.
Zelf ben ik de zee, waar ik enige tijd geleden uit aan land ben gekropen, zij het in een andere vorm (hoop ik), van de weeromstuit ook serieus gaan nemen. Als iets groots. Als iets dat stemmen van de overzij transporteert. Dat een doorgang biedt naar het mythische eiland aan de overzijde. Dat werk.
Hier overdrijf ik natuurlijk. Maar ik zag de zee wel zwarter, zwaarder en pathetischer dan ze is. Dat merkte ik vandaag, toen ik, aan zee, een gedicht las uit de meest recente bundel van Sylvia Hubers, Vandaar dit huwelijksleven. Daarin wordt de zee krullen. Maar ook: "windingen / golfslagen, vage contouren / van nieuwe bevindingen".
Dat vind ik mooi, die onbepaaldheid. Nieuwe bevindingen, helemaal vers nog. Een beetje onwennig op de benen. Met vage contouren. Hulpeloos in de zee. Je zou ze bijna willen aaien. Of misschien bestaat de zee juist alleen maar uit die nieuwe bevindingen. Dat lijkt alles bij elkaar heel wat. Toch blijven de contouren vaag.
In de slotstrofe zijn we ver verwijderd van het 'groot aangaan van de zee'. Er wordt niet gesmacht, maar er wordt gretig toegestaan dat god, die van die krullen, gulle giften begaat. Een actieve vorm van passief ondergaan. In poëzie. Dat had ik, in 1965 en verder, niet kunnen vermoeden, toen ik, een beetje teleurgesteld uitzag over natuurgebied De Banen.
Krullen op zee
Als god is goed
dan heeft hij krullen
houtkrullen
metaalkrullen
krullende golflijnen
krullen met potlood getrokken
door boodschappenlijsten
krullen op zee
God speelt met zijn haren in de ochtend
speelt met zijn haren in de middag
laat in de avond wat krulspelden vallen
Midden in de nacht jaag ik een vinger
door gods liefste pijpekrul
draai een rondje door de bedoelingen
door de bedelingen
In mijn juttersmandje stop ik windingen
golfslagen, vage contouren
van nieuwe bevindingen
Gretig laat ik gods gave
gulle giften begaan
(c) Sylvia Hubers
Foto De Banen: L1.
De wijze Montaigne, de wijze Robert Walser etc.
Mijn beste vrienden. Vrienden bestaan niet.
... aldus begon de wijze Montaigne zijn essay over vriendschap dat nu ook in het Nederlands vertaald is. Over de man die alleen zichzelf tot onderwerp had verscheen ook deze studie: How to Live: A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer
De nieuwe generatie e-books zijn multimedia boeken geworden die video's in de tekst integreren en zich het best laten lezen/kijken op een iPad.
Illustratie: recensie over de microscripts van het stille Zwitserse genie Robert Walser. Over zijn stijl zei Walter Benjamin: "het enige doel van elke zin is om de lezer de voorafgaande zin te doen vergeten". Zie ook dit eerder bericht. In 2008 maakte Billy Childish een schilderij over de stille (sneeuw)dood van Walser.
Borges quote
He (JL Borges) said the idea of a definitive text really belongs either to religion ? which is also an irony on his part, that there would be this one version that was the only version ? or, as he says, fatigue. You just give up after a while and hand it in.
Interview met Borges-vertaalster Suzanne Jill Levin.
Marco Kunz (1974) - Hedendaags Duits
SJ Fowler: Een beruchte uitspraak van Heidegger luidt dat Grieks en Duits de enige ware poëtische talen zijn. Wat denk jij over de specifieke aard van de Duitse taal wanneer we het hebben over poëzie?
Marco Kunz: De Duitse taal leent zich heel goed tot het maken van nieuwe woorden, wat uiteindelijk neerkomt op het voortbrengen van nieuwe gedachten. Ik denk dat er daarom zoveel Duitssprekende filosofen zijn. Engels bijvoorbeeld is handiger en vlotter, gemakkelijker om te gebruiken. Duits klinkt hoekiger, maar heeft meer weg van een bouwdoos, met al zijn prefixen en andere mogelijkheden om woorden te maken. En zelfs in de zinsstructuur zijn er meer mogelijkheden om variatie te brengen in de woordvolgorde en bijgevolg in het ritme.
Lees het volledige interview op 3:AM. Drie gedichten van Marco Kunz zijn hier te lezen.
The German poet Rilke had a word for it: Geräusch
(...) nu eens zweefde dat kale, langwerpige hoofd in de groene schemering tussen de fruitbomen, dan weer wiegde het als een grote, bleke bloem boven de impressionistische ruiker van de border ? het was avond en de wassende maan creëerde dat spook. (Benno Barnard over zijn schrijfkampgenoot Herman De Coninck)
De ontregelende techniek van Alice Fulton: moeilijke woorden als moxibustion en analgesia gebruiken in een liefdesgedicht.
Elf talentvolle Utrechtse dichters gekozen door Ingmar Heytze voor het eerste zomernummer van Meander.
Zeven anderstalige dichteressen gekozen door Daan Bronkhorst voor het tweede zomernummer.
Light verse en particuliere familiepoëzie van Jan Flamend.
Op reis verkiest Ester Naomi Perquin een gedicht op postzegelformaat van Kees van Domselaar.
Gerbrand Bakker opgesloten in een drijvend huis, ver van de bewoonde buitenwereld zonder moderne media!
Red de bibliotheek van David Markson auteur van Wittgenstein's Mistress. (LA Times)
The more books I write, the more convinced I become that what we encounter in a novel is not selves, but networks; that what we hear in poems is not signal but noise. The German poet Rilke had a word for it: Geräusch, the crackle of the universe, angels dancing in the static. (Tom McCarthy)Amsterdam Zuid, Paul Gellings
Toen van was, nu van brons
Oostende heeft hele oude mevrouwtjes, met lippenstift, een sacoche uit de uitverkoop van de Inno en een hele roedel kennissen, andere oude mevrouwtjes, met mooie deux pièces uit een ver verleden en een hondje dat betere tijden heeft gekend. Dat hondje is mooi gekapt.
Oostende heeft een boulevard, waar het hele openbare zomerleven zich afspeelt. Moeders, vaders, kinderen, opa's, oma's, verliefde stelletjes, - alles en iedereen komt vroeg of laat naar de boulevard. Niet alleen om gezien te worden, maar om naar de zee te kijken.
Oostende heeft heel veel zeemeeuwen, die de hele dag met elkaar praten. Ze zijn ironisch van inslag, die vogels. "Het wreed gekrijs van de meeuwen" van Hugo Claus ligt volgens mij meer in the ear of the beholder dan bij de meeuwen. Ik hoor ze eerder mompelen, sardonisch lachen en op hoge toon babbelen.
De oude binnenstad van Oostende is niet helemaal "echt". Nee, dat is niet waar. Alle tijden lopen er door elkaar heen. Daarom zou het niet verbazen als iemand uit de eervorige eeuw ineens de hoek om zou slaan, om iets te kopen in een van de winkels.
Oostende is niet opgebouwd in tijdlagen, maar alles wordt gewoon bij het oude gelaten, en het nieuwe wordt bij het oude gevoegd - en het oude blijft bestaan, zij het in het verborgene. Waar het door sommige mensen kan worden gezien, door verliefden, dichters, dat soort volk.
Oostende wordt bevolkt door toeristen (en zeker in juli en augustus), maar die houden zich gedeisd. Die zijn niet zo toeristisch als andere toeristen. Die houden de adem in, voor de stad, "hun oren en wimpers vol zout".
's Avonds is Oostende het domein van spookverschijningen, geesten en onlangs uitgedreven duivels; maar ook van de meeuwen, die nu eens lekker onbekommerd rond kunnen vliegen, en opgelucht snaterachtige eend-immitaties doen. En van Hugo Claus, inmiddels ook van brons:
Oostende
Daar is mijn bestaan begonnen te vergaan.
Negentien was ik, ik sliep
In het Hôtel de Londres op het hoogste verdiep.
De mailboot voer onder mijn raam.
Elke nacht leverde de stad zich over aan
De golven.
Negentien was ik, ik speelde kaart
Met de vissers van de Ijslandvaart.
Zij kwamen uit de Grote Koude,
Hun oren en wimpers vol zout, en
Beten in hompen rauw
Varkensvlees.
Ah, het geklik van dobbelstenen.
In die tijd Van vogelpik en pietjesbak won ik altijd.
Daarna bij dageraad langs de kathedraal,
Dat stenen spinsel van vrees,
Langs de verlaten dijk, het Kursaal.
De nachtcafés
Met de hologige croupiers,
De bankroete bankiers,
Engelse meisjes met tbc.
En vanuit de turkooizen zee
Het wreed gekrijs van de meeuwen.
'Kom binnen, meneire de wind,'
Schreeuwt een uitgelaten kind
En over Oostende waait een wolk van zand
Vanuit de onzichtbare overkant
Het heiige Engeland
En de Sahara.
Langs de gevels van apothekers die in die tijd
Condomen fluisterend verkochten,
Langs de pier en de golfbrekers,
De vismijn met haar zeegedrochten,
De paardenrenbaan waar ik op een zondag
Niet meer won.
Zondagen die kwamen en gingen.
Nachten in het Hotel van de Thermen
Waar ik schrok van haar kermen,
Zuchten, zingen.
Haar geluid teistert nog altijd mijn
Herinneringen.
Andere eilanden, zeeën, woestijnen
Heb ik gekend, Istanboel dat luchtkasteel,
Chieng-Mai met zijn landmijnen,
Zanzibar in de hitte van kaneel,
De trage trage Taag. Zij verdwijnen
Gestaag.
Scherper in het licht van het Noorden
Zie ik het kinderlijk gezicht
Van de Meester van Oostende verdoken in zijn baard.
Hij was van kraakbeen,
Toen van was,
Nu in brons.
Het brons waarin hij
Glimlacht om zijn morsdode jeugd.
(c) Hugo Claus
Heinrich Heine in het Walhalla in Regensburg
"Hij heeft het Walhalla zelf in zijn verzen bespot. Nu is hij er, tot
ontzetting van velen, zelf in opgenomen. Maar zou Heinrich Heine niet
toch geflatteerd zijn geweest met die postume eer, 154 jaar na zijn
dood?" vraagt Knackrecensent en Duitslandkenner Piet de Moor
zich af?
"Velen vinden dat dit gebaar getuigt van respectloosheid tegenover de
grote spotter, die uit het reactionaire Duitsland wegvluchtte om in
Parijs op zijn matrassengraf te sterven. Maar anderen zien dat anders en
verwijzen naar een passage uit Heines ?Harzreise?, waarin de dichter
zegt: ?Elke schrijver, al is hij nog zo groot, wenst dat zijn werk
geprezen wordt.?"
Erik Lindner over ...
"De zeilen van de aarde bevat een duidelijk verhaal. Han van der Vegt schrijft vanuit een idee, in de stijl van een sierlijke en gepassioneerde brief. Het is sciencefiction-poëzie, die bestaat uit een vertelling. Maar anders dan bij het ruimteschip in de vorige bundel gaat hij nu van de werkelijke aarde uit. Wat dat betreft blijft hij dichter bij J.G. Ballard, aan wie hij het motto ontleend, en dat is erg goed. Zijn stukken zijn technisch adequaat, het lijken een soort futuristische biologische studies. En daar kruipt soms iets archaïsch in: 'Met een houw van zijn zwaard/ kapte een van hen een oude plataan om die voor de zon stond.' Net als bij Holvoet-Hansen zijn het soms ver doorgevoerde sprookjes, lijkt de auteur meegesleept door zijn eigen vertelling. Het zijn parabels over de wereld, mythes. Een wij-figuur bouwt een hogere grond boven de wereld, op hoge palen. Ze laten de bewoners beneden 'bij ochtend en bij avond/ nog aanzienlijke stroken' zon. Toch proberen ze boven te komen, maar dat lukt niet. Al zouden ze hartelijk begroet worden. Tegenstellingen zijn geen vijanden in het werk van Han van der Vegt."
De recensie van Lindner schetst overigens een verhelderend beeld van de evolutie die van der Vegt als dichter heeft doorgemaakt. Lees meer op De Groene. In hetzelfde stuk ook een verslag van Watou 2010.
'Antwerp', sleutelroman van Bolaño's oeuvre
Let my writings be like the verses by Leopardi that Daniel Biga recited on a Nordic bridge to gird himself with courage. Het is de laatste zin uit Bolaño's allereerste roman 'Antwerp' die in tegenstelling tot het later werk van de fel gehypte Chileense auteur slechts 78 pagina's beslaat. Volgens de Amerikaanse recensent Morgan Meis bevat 'Antwerp' alle ingrediënten waaruit later het oeuvre van Roberto Bolaño zal voortvloeien. Over de slotzin van de mysterieuze roman 'Antwerp' zegt de recensent het volgende:
"Daniel Biga is een Franse dichter en zijn gedicht, "Leopardi," is een rechtstreekse verwijzing naar Leopardi's gedicht The Solitary Thrush. In dat gedicht reflecteert Leopardi over het feit dat hij ver af staat van de vreugden van het leven en hij vergelijkt zich met de eenzame lijster op een kerktoren, die onverschillig blijft voor de uitgelaten lente in de vallei beneden. De dichter kijkt naar het leven - zoals de lijster - vanop afstand, zonder betrokkenheid. Maar de dichter verschilt ook van de lijster aangezien de vogel zich niet bewust is van zijn conditie en slechts instinctief zingt. De dichter bevindt zich in een verschrikkelijke situatie, hij is zich bewust van zijn afstandelijkheid tegenover het leven en verkeert precies vanwege dat inzicht in de onmogelijkheid om aan het leven deel te nemen. Dit is de essentie van een soort poëtische Romantiek. Het is een romantiek die Leopardi belichaamde in de vroege 19e eeuw en die Bolaño, vanaf zijn roman Antwerp, weer op de kaart zette in de vroege 21e eeuw."
Kleine anekdote: in het exemplaar van de recensent, die blijkbaar binnenkort in de Belgische metropool komt wonen, stond in handschrift geschreven: "Antwerp is the new Hungary". (Lees hier het volledige stuk)
The Economist start boeken- en kunstblog
Tourdichter Frank Pollet
Lees meer Tour de France gedichten van Patrick Cornillie, Norbert De Beule, Frank Pollet, Paul Rigolle en Willie Verhegghe op Geelzucht.
Tourdichter from Roel Nollet on Vimeo.
Kees Klok: Kronieken (4)
Op 21 augustus bestaat dit weblog 5 jaar. Medewerker van het eerste uur Kees Klok viert dit jubileum met een aantal nieuwe fragmenten uit zijn kroniek, waarvan deel 1 (En vooral: de gordijnen dicht!) in 2008 bij Liverse verscheen. Vandaag deel 4, dat ons alweer terugbrengt naar die dagen en maanden, in 2005.
Donderdag, 29 september 2005:
'Pionieren' is het nieuwe thema van de dichterskring. Wat moet ik daar van maken? Ik ben al tevreden met een rondje om de kerk van Biggekerke. Veel pioniersgeest zit er bij mij niet in. Het liefste trok ik mij met Stella terug op een eiland als Samothraki en liet ik de rest van de wereld het maar uitzoeken.
Begonnen mij in te lezen voor het Revisor-essay over John Burnside. Veel materiaal heb ik nog niet gevonden, maar wat ik nu in handen heb zegt ongeveer hetzelfde wat ik vertalende al aanvoelde. Ik moet maar gewoon proberen dat gevoel onder woorden te brengen. Met iets over zijn leven erbij kan het een heel acceptabel stuk worden. Het zweven tussen lichaam en geest, metafysica en natuur en dat tegen de achtergrond van het Schotse landschap. Dat laatste vind ik nauwelijks terug in de beschouwingen, maar het lijkt mij essentieel.
Woensdag, 2 november 2005:
Gisteren mijn vrije middag doorgebracht in het Dordrechts Museum, waar vier van onze tweede klassen de tentoonstelling over de gebroeders De Witt kwamen bekijken. In de museumwinkel het Dordt boek gekocht, een soort gids met wetenswaardigheden over de stad, waarvoor Pieter Breman (als beheerder van het prentenkabinet van het Stadsarchief) het beeldmateriaal heeft geleverd. Ik word op pagina 322 geciteerd in het lemma over Visser: Het dagcafé heeft 'goddank geen boodschap aan de modernisering en de waan van de dag,' aldus Kees Klok, vaste gast sinds veertig jaar.
Ik kan mij niet herinneren wanneer ik dat heb geroepen, maar het is honderd procent Kees Klok. Mijn voornaam is zelfs correct gespeld, wat me alleszins meevalt. De titel van het boek is niet goed gekozen, want er bestaat al een Dordtboek dat is uitgegeven door Perspektief en het herinnert ook te veel aan de Dordtboeken uit de jaren zeventig, gratis boekjes die werden uitgedeeld tijdens de boekenweek en waarvoor de redactie uit democratisch oogpunt van de Culturele Raad geen kwaliteitscriteria mocht hanteren. Ze bestaan zodoende uit een mengeling van fraaie gedichten en verhalen en verschrikkelijke troep. Na twee of drie nummers is de redactie stiekem toch een beetje naar kwaliteit gaan kijken, waardoor ze aan leesbaarheid wonnen. Uit geldgebrek is men er tenslotte mee opgehouden. Nu worden op boekenmarkten en in antiquariaten aanzienlijke bedragen voor die deeltjes gevraagd.
Vrijdag, 4 november 2005:
Lees het nieuwste deel van Hans Warrens Geheim Dagboek en vraag me opnieuw af wat me zo in dat werk boeit. Waarschijnlijk toch in de eerste plaats de belangstelling van de ene dagboekschrijver voor de andere. Daarbij komt de, gedeeltelijke, identificatie. Ook een dichter die ver van de culturele centra, voor zover je daar in Nederland van kunt spreken, ergens in de provincie woont. Zijn verzorgde stijl, zijn gevoel voor schoonheid, de natuur en de klassieken, boeien me. Er klinkt in zijn dagboeken soms een soort melancholie door die mij raakt. Aan de andere kant staan er veel details in over zijn liefdesleven die mij niets zeggen, of onbenulligheden als het bewonderen van een drol, maar dat neem ik bij al het moois maar op de koop toe.
(c) Kees Klok
Lucebert - Stedelijk museum Amsterdam 1969
"Schilderen is handwerk. Dichten is het product van momenten of reeksen van momenten."
De dichter in Gerbrand Bakker
Het spoor van Maurice Gilliams door de Vlaamse poëzie
"In de Vlaamse poëzie van de vorige eeuw zijn
tal van gelegenheidsgedichten verschenen met een opdracht voor Maurice
Gilliams (1900-1982). Een verkenningstocht leverde twee categorieën van
auteurs op. Bevriende generatiegenoten, zoals Jef de Belder, Gaston
Burssens en Maurice Roelants, hebben gedichten geschreven die aan
Gilliams zijn opgedragen. Daarnaast zijn er de jongere tijdgenoten die
de oudere dichter een eerbetoon brengen of zich wensen te profileren in
het eigentijdse poëzielandschap met een opdrachtgedicht. In die laatste
groep valt de aanwezigheid van de Antwerpse Pink Poets op. Net als
Marnix Gijsen, Karel Jonckheere, Ivo Michiels, Renier van der Velden en
Paul de Vree droeg Gilliams de titel van ere-Pink Poet. Medeoprichter
van de vereniging Nic van Bruggen, de ?eerste gouverneur? Hugues C.
Pernath en gewoon lid Paul Snoek hebben in de jaren zeventig, door
citaten op te nemen of een opdracht bij eigen teksten, expliciet
gerefereerd aan het werk van Gilliams." >> Yves T'Sjoen schreef een tweedelige reeks rond de zielsverwantschap tussen Gilliams en Snoek. Lees deel 1 op Versindaba. Onlangs plaatsten we ook dit VRT-interview met The Master.
Literaire tijdschriften en internet: een Amerikaanse enquête
Tom Raworth: 'Windmills in Flames: Old and New Poems'
Van de Engelse dichter en kunstenaar Tom Raworth (1938) verscheen dit jaar Windmills in Flames: Old and New Poems. De uitgeverij meldt: "Zijn Collected Poems uit 2003 werd door the Times Literary
Supplement uitgeroepen als een mijlpaal: 30 jaar werk van een van de toonaangevende modernistische dichters eindelijk verzameld. Raworth zet door, radicaal, inventief en politiek geëngageerd. Windmills on Fire is een duizelingwekkende rit door het taallandschap dat we bewonen. Gedichten vallen in brokken uiteen, zwermen uit in onverwachte richtingen, stellen zich opnieuw samen.
Al is Windmills on Fire speels en vaak grappig toch wordt de bundel aangedreven door woede wanneer taal wordt aangewend als een instrument voor politieke misleiding en militaire agressie."
"Weinig Raworth gedichten prostitueren zichzelf tot op maat gesneden opsommingen, maar dat dit een vrijgeleide moet zijn om zijn teksten af te wijzen vanwege te hermetisch is halfbakken." vindt dichter en academicus Joe Kennedy die met een simpele close reading het tegendeel bewijst op 3:AM.
Tom Raworth kwam al eerder ter sprake nav Towards an anarchist poetics van Simon Dedeo in dit bericht.

